Ik houd al een tijdje mieren en het blijft me verbazen hoe boeiend zo'n kleine kolonie is. Het mooie is dat je het natuurlijke gedrag van dichtbij ziet: de koningin, de werksters en de taakverdeling in een compleet mini-ecosysteem. En eerlijk gezegd valt het opstarten heel erg mee als je een paar basisdingen goed doet.
Wat je nodig hebt is simpel: een formicarium (het nest), voeding met suikers én eiwitten, een constante waterbron, en de juiste temperatuur en luchtvochtigheid. Voor beginners raad ik sterke, makkelijke soorten aan zoals de zwarte wegmier (Lasius niger), de zaadetende Messor barbarus of de grotere Camponotus nicobarensis.
De grootste fouten die ik zelf (en anderen) maakte: te veel voeren zodat het gaat schimmelen, te weinig vocht in de setup, en de kolonie te vaak storen. Mieren houden van rust — observeer kort per dag, maar laat het nest zoveel mogelijk met rust en zet het niet in direct zonlicht of bij trillingen.
Mijn tip is om dagelijks even kort te kijken, de buitenwereld met een pincet schoon te houden en alleen goed voer te gebruiken om mijten en schimmel te voorkomen. Noteer temperatuur en gedrag, dan leer je je kolonie echt kennen.
Het is meer dan een hobby: het is een venster naar de natuur. Eén koningin kan uitgroeien tot duizenden werksters, en dat proces volgen is ontzettend leerzaam en ontspannend.
Bron: Quality Ants
Bij het bouwen van een formicarium denken we meestal aan kamers, gangen en vochtigheid. Dat dieren hun nestarchitectuur actief inzetten als bescherming tegen ziekten, wist ik niet. Een studie van de Universiteit van Bristol laat dat precies zien.
Het team rond Luke Leckie liet twee kolonies van elk 180 werksters graven in een bak gevuld met aarde. Na 24 uur werden aan elke kolonie nog 20 mieren toegevoegd. In een van de groepen droegen de toegevoegde mieren besmettelijke schimmelsporen en vormden ze dus een infectiegevaar. Daarna groeven de mieren zes dagen door, en regelmatige micro-CT-scans maakten de ondergrondse structuren zichtbaar.
De bedreigde kolonie groef sneller en intensiever dan de controlegroep. Het nest werd complexer en minder direct met elkaar verbonden, en de ingangen lagen verder uit elkaar. Voorraad- en broedkamers waren beter geïsoleerd en hadden minder verbindingen met andere kamers. De onderzoekers vermoeden dat de mieren zo het contact verminderen en hun gevoelige nageslacht beschermen.
Simulaties met 3D-modellen van de nesten bevestigden dat deze bouwwijze het infectierisico echt verlaagt, en nog sterker als je meeneemt dat besmette mieren zich toch al van de rest van de kolonie afzonderen.
Volgens Leckie is het nieuw dat een niet-menselijk dier zijn omgeving verandert om de verspreiding van een ziekte te beperken. Het team ziet hierin een inspiratie voor stedenbouw en het ontwerp van sociale ruimtes. Voor mij laat het vooral zien hoeveel gedrag er zit in een nest waarvan we in een formicarium maar een glimp zien. De studie verscheen in 2025 in Science.
Bron: scinexx
Als je ooit hebt gezien hoe een kolonie groeit van één koningin en een handvol werksters tot honderden mieren, vraag je je misschien af wat elke werkster de kolonie kost. Een studie in Science Advances geeft een getal aan een deel van die kosten: het cuticula, de beschermende buitenlaag van het lichaam.
Arthur Matte, promovendus aan de Universiteit van Cambridge die het werk begon aan het Okinawa Institute of Science and Technology, en Evan Economo, nu aan de Universiteit van Maryland, maten cuticula en lichaamsvolume bij meer dan 500 mierensoorten met een grote reeks 3D-röntgenscans. De koloniegroottes in de dataset lopen van enkele tientallen individuen tot miljoenen.
De cuticula is voedingstechnisch duur, omdat het stikstof en mineralen nodig heeft. Tussen soorten varieerde de investering in cuticula van ongeveer 6 tot 35 procent van het lichaamsvolume. Soorten die minder in het cuticula investeerden, hadden meestal grotere kolonies, en een lage investering hing ook samen met hogere diversificatiesnelheden, een ruwe maat voor evolutionair succes.
De interpretatie van de auteurs is dat collectieve verdediging, ziektebestrijding, voedselzoektocht en arbeidsverdeling de noodzaak voor zwaar individueel pantser verminderden. Dat kan een terugkoppelingslus hebben gecreëerd waarin dunnere cuticula grotere kolonies mogelijk maakten. Ze suggereren ook dat de lagere stikstofbehoefte mieren kan hebben geholpen om in voedselarme habitats te settelen, al is nog onbekend waarom dit tot soortvorming leidt.
Ik vind het mooi dat de studie goedkope, vervangbare werksters ziet als een kracht van de kolonie. Termieten zijn misschien een vergelijkbaar pad gevolgd, maar de auteurs merken op dat dit nog niet is getest.
Bron: Phys.org (University of Maryland)
In een volle kolonie is ziekte een reëel risico, en mieren hebben meer dan één manier om ermee om te gaan. Een studie in Nature Communications beschrijft een van de vreemdste gevallen die ik ben tegengekomen: zieke poppen die hun eigen dood aankondigen.
Het werk gaat over Lasius neglectus, een kleine zwarte tuinmier, en komt van het Instituut voor Wetenschap en Technologie in Oostenrijk. In de berichtgeving wordt Erika Dawson als eerste auteur genoemd, en in de publicatie staat ook Sylvia Cremer. De titel van het artikel is Altruistic disease signalling in ant colonies.
Zieke werksterspoppen geven een chemische stof af die volwassen werksters ertoe aanzet ze te vernietigen. De werksters verwijderen het cocon, bijten gaten in de pop en injecteren gif, dat werkt als ontsmettingsmiddel en zowel de ziekteverwekker als de pop doodt. In de experimenten haalde het team de geur van zieke poppen weg en smeerde die op gezonde broed, en de werksters vernietigden toch de gezonde poppen. Een extra test toonde dat zieke poppen de geur alleen afgeven als er werksters in de buurt zijn.
Geïnfecteerde koninginnenpoppen sturen het signaal niet. De onderzoekers denken dat dat komt doordat koninginnen een sterker immuunsysteem hebben en de infectie kunnen afweren.
Het is een grimmige strategie, maar het klopt als de kolonie belangrijker is dan het individu. Ik vind het een goed voorbeeld van waarom broedzorg in een mierennest ingewikkelder is dan alleen larven voeden en warm houden.
Bron: Phys.org (AFP)
Wie mieren houdt, kent het basispatroon: één koningin, veel werksters en in de zwermtijd een paar mannetjes. Des te verrassender vond ik een bericht uit Japan. Daarin staat een soort die dit patroon volledig omgooit.
Het gaat om Temnothorax kinomurai. Bij deze zeldzame mier groeien uitsluitend koninginnen op. Mannetjes en werksters ontbreken volledig. De jonge koninginnen dringen de nesten van de verwante soort Temnothorax makora binnen, doden daar met hun angel de koningin en een deel van de werksters en laten hun nakomelingen door de overlevende werksters grootbrengen.
Dat deze soort parasitair leeft, was al bekend. Onduidelijk was of het nageslacht werkelijk alleen uit koninginnen bestaat. Keiko Hamaguchi van het Kansai-onderzoekscentrum en haar team verzamelden zes kolonies, inclusief eieren en larven, en kweekten ze in het laboratorium. Toen alle jonge dieren volwassen waren, bepaalden ze kaste en geslacht, en het resultaat was duidelijk: er ontstonden alleen koninginnen.
Dat is mogelijk door parthenogenese: de koninginnen ontwikkelen zich uit onbevruchte eieren. Mannetjes zijn simpelweg niet nodig. Volgens de onderzoekers is de combinatie van parasitisme zonder eigen werksters en maagdelijke voortplanting bij mieren tot nu toe uniek. Andere parasieten hebben óf geen werksters óf geen mannetjes, maar nooit beide.
De hoofdauteur Jürgen Heinze van de Universiteit van Regensburg noemt de strategie onverwacht, maar evolutionair zinvol: de soort steekt al haar middelen in nieuwe jonge koninginnen. Het vind ik mooi hoe zo'n vondst het beeld van de 'typische' kolonie relativeert, het beeld waarop ook onze hobby rust. De studie verscheen in 2026 in Current Biology.
Bron: scinexx
Zelden leest iemand een mierennieuws twee keer omdat de kop zo verrassend is, maar dit lukte wel: koninginnen van de ene soort kunnen mannetjes van een andere soort produceren. De studie verscheen in Nature, geleid door Jonathan Romiguier van de Universiteit van Montpellier.
De hoofdrolspeler is Messor ibericus, een oogstmier uit het zuiden van Europa. De onderzoekers groeven meer dan 50 nesten op en vonden 132 mannetjes in 26 kolonies. Sommige waren behaard, zoals M. ibericus, andere kaal, zoals Messor structor. Genetische tests toonden aan dat ze allemaal dezelfde moeder hadden: een koningin van M. ibericus.
Het mechanisme is verbazingwekkend. De koningin bewaart sperma van M. structor in haar zaadopslag en gebruikt dat om mannetjes van die soort te klonen. Ze verwijdert het eigen genetisch materiaal van de eicel, zodat alleen het DNA van het sperma tot uiting komt. De auteurs noemen dit xenoparie. De gekloonde mannetjes erven bovendien het mitochondriale DNA van hun moeder.
Waarom gebeurt dit? Omdat werksters alleen ontstaan uit de genetische combinatie van beide soorten. Als de koningin alleen met mannetjes van haar eigen soort zou paren, zouden haar dochters koninginnen zijn zonder werksters die de kolonie verzorgen. Volgens Romiguier kunnen de twee soorten niet meer apart van elkaar leven; ze splitsten zich meer dan vijf miljoen jaar geleden.
De strategie laat kolonies uitbreiden naar gebieden waar M. structor niet leeft, zoals Sicilië. Zonder genetische recombinatie stapelen de gekloonde mannetjes echter schadelijke mutaties op, wat het systeem op de lange termijn kan doen instorten. Het is een mooie herinnering dat de biologie van koninginnen en kolonies veel vreemder is dan de inleidende gidsen doen geloven.
Bron: Muy Interesante
We denken vaak dat mieren in het nest samenwerken of met hun buren vechten. Een nieuwe studie laat een derde mogelijkheid zien: schoonmaak tussen soorten, tot nu toe alleen beschreven bij mariene schoonmaakvissen. Het is de eerste keer dat zoiets op het land is waargenomen.
De entomoloog Mark Moffett van het Nationaal Natuurhistorisch Museum van de Verenigde Staten werkte op een onderzoeksstation in de woestijn van Arizona. Hij zag hoe grote oogstmieren, Pogonomyrmex barbatus, naar de nesten van kleine mieren van het geslacht Dorymyrmex liepen, een bijzondere houding aannamen en zich hun open kaken lieten schoonmaken. De resultaten zijn gepubliceerd in het tijdschrift Ecology and Evolution.
De cijfers zijn indrukwekkend. De camera registreerde in enkele dagen meer dan 90 schoonmaaksessies, elk van 15 seconden tot vijf minuten, waarbij één tot vijf kleine mieren op één oogstmier klommen. In een controleproef boden de onderzoekers een dode, ingevroren oogstmier aan: ze werd onderzocht maar niet schoongemaakt, dus het idee dat ze lijken zouden eten kan worden uitgesloten.
Wat beide partijen eraan overhouden, is nog niet duidelijk. Misschien likken de kleine mieren voedzame lipiden van de oogstmieren af, en krijgen de oogstmieren antibacteriële bescherming, omdat sommige Dorymyrmex antischimmelstoffen afscheiden. Ook is er een hypothese dat de kleine mieren kalmerende feromonen doorgeven aan agressieve buren, zodat ze veilig naast elkaar kunnen leven.
Voor wie mieren houdt, is dit een goede herinnering aan hoe weinig we weten over het dagelijks leven van deze insecten. Persoonlijk vond ik het meest prettig dat de conclusie gebaseerd is op eenvoudige waarnemingen en zorgvuldige controles.
Bron: Naked Science
Eén mierenverhaal bleef bij mij hangen. In 2013 ging een team van de Poolse Academie van Wetenschappen een voormalig Sovjet-opslagdepot voor kernwapens binnen in Templewo, Polen. Ze zouden vleermuizen tellen, maar vonden in plaats daarvan een mierenkolonie.
Daar leefden bijna een miljoen werksters van de bosmier (Formica polyctena), tussen enkele miljoenen kadavers. Er was geen koningin, geen mannetjes, geen eieren en geen larven. Het nest boven de bunker zat op een verticale ventilatieschacht. Verroest en versleten was die veranderd in een valluik waar werksters doorheen vielen zonder ooit weer naar boven te kunnen.
De temperatuur kwam nooit boven de 10 °C uit en er kwam geen voedsel van buiten. Kaakafdrukken op de achterlijven laten zien dat de werksters van hun dode nestgenoten leefden, en de nieuwe werksters die elk jaar naar beneden vielen, hielden de populatie in stand.
In 2016 plaatsten de onderzoekers een houten loopbrug. Binnen enkele maanden waren bijna alle gevangen mieren weer omhooggeklommen en bij hun oorspronkelijke kolonie gevoegd, zonder enige agressie.
Voor wie mieren houdt, is dit een fascinerende herinnering: een kolonie zonder koningin kan jarenlang overleven als ze van buiten een gestage aanvoer krijgt. Ik vond dit geval tegelijk somber en erg leerzaam.
Bron: Sciencepost
Mieren verrassen ons vaak, maar dit nieuws gaat over scheikunde en niet over gedrag. Sericomyrmex amabilis, een verwant van de bladsnijdermieren uit Midden- en Zuid-Amerika, voert een deel van het koolstofdioxide via de ventilatie uit het nest af en zet een ander deel om in een mineraallaag op het uitwendig skelet.
Iets soortgelijks was al eerder gezien. In 2020 beschreven Cameron Currie van de Universiteit van Wisconsin-Madison en collega's een biomineraal pantser bij Acromyrmex echinatior en verbonden dat met bacteriën van het geslacht Pseudonocardia. Dit nieuwe werk meldt dat bij Sericomyrmex amabilis nog geen symbiotische bacteriën zijn gevonden. Als dat wordt bevestigd, zou deze soort het eerste bekende dier zijn dat een gas zonder hulp van bacteriën in een mineraal omzet.
De onderzoekers gebruikten stabiele koolstofisotopentracering, nanoschaal secundaire-ionenmassaspectrometrie en vaste-stof-NMR met koolstof-13. Ze ontdekten dat de laag dolomiet bevat, een mineraal dat in het laboratorium lastig te maken is. Om goed geordend dolomiet te synthetiseren zijn meestal drukken en temperaturen van honderden graden nodig, en in de natuur ontstaat het over duizenden tot miljoenen jaren.
De mieren daarentegen maken snel gedeeltelijk geordend dolomiet bij lage temperaturen. Het mechanisme is nog onbekend. Deze biomineralisatie lost twee problemen tegelijk op: ze versterkt het pantser en verwijdert overtollig CO₂ uit het nest.
Een belangrijke kanttekening: het werk is geplaatst op de preprintserver bioRxiv en is nog niet door vakgenoten beoordeeld, dus de resultaten zijn voorlopig. Des te interessanter wordt het om te volgen wat er nog komt.
Bron: Naked Science
Wie met mierenkweek begint, leert als eerste hoe belangrijk de koningin is: zonder haar heeft de kolonie geen toekomst. Daarom sprak een Japanse studie mij zo aan, over hoe een parasitaire koningin het voor elkaar krijgt dat de werksters hun eigen moeder doden.
Het onderzoek van het Instituut voor Biologische Wetenschappen van de Universiteit van Kyushu documenteert voor het eerst hoe twee parasitaire soorten, Lasius orientalis en Lasius umbratus, de controle over andermans kolonie overnemen. Het werk van Takasuka en collega's verscheen in 2025 in Current Biology.
Het proces bestaat uit meerdere stappen. Eerst dringt de parasitaire koningin de kolonie van een verwante soort binnen, zoals Lasius flavus of Lasius japonicus, en vermomt zich tussen de werksters. Vervolgens nadert ze de aanwezige koningin en bespuit haar met een vloeistof uit haar achterlijf, waarschijnlijk mierenzuur, al is dat chemisch nog niet bevestigd. De vloeistof doodt haar niet meteen, maar verandert haar geur.
En dat is de sleutel: in deze samenlevingen identificeert geur elk lid. De werksters herkennen hun koningin niet meer, behandelen haar als indringer en doden haar. Daarna accepteren ze de parasiet zonder verzet en voeden ze haar nakomelingen op alsof het die van henzelf zijn.
Het verhaal begon met de amateurnatuuronderzoeker Taku Shimada, die de infiltratie en de moedermoord bij Lasius orientalis filmde. De entomoloog Keizo Takasuka zag in die video een kans en ontwierp samen met hem een gecontroleerd experiment dat het fenomeen bevestigde. Volgens het artikel is de tactiek onafhankelijk in ten minste twee soorten ontstaan, dus deze manipulatie van chemische signalen is misschien gewoner dan we dachten.
Bron: Muy Interesante
Mierenkolonies draaien op geur. Nestgenoten herkennen elkaar aan een chemische handtekening, en alles wat verkeerd ruikt, wordt als indringer behandeld. Een nieuwe studie van het Max Planck-instituut voor chemische ecologie onderzoekt wat er gebeurt als luchtvervuiling die geur verandert.
De onderzoekers, geleid door Nan-Ji Jiang en Bill Hansson samen met Markus Knaden, stelden zes mierensoorten gedurende 20 minuten bloot aan 100 delen per miljard ozon, een niveau dat in de zomer vaak wordt gemeten in getroffen gebieden, en brachten de mieren daarna terug naar hun kolonies. Vijf van de zes soorten vielen de met ozon behandelde nestgenoten aan of dreigden hen. De uitzondering was de klonale roofmier Ooceraea biroi, die geen agressie toonde, misschien omdat die zich klonaal voortplant en geen koningin heeft.
Het mechanisme is knap. Mieren dragen kleine hoeveelheden alkenen in hun kolonie-geur, en ozon breekt de koolstof-koolstof-dubbele bindingen in die moleculen. Alkanen, die het grootste deel van de handtekening vormen, worden niet aangetast. Gaschromatografie op afzonderlijke mieren bevestigde de verschuiving in de alkenen.
Er waren ook effecten op lange termijn. In met ozon vervuilde kolonies van O. biroi bleven volwassen mieren verder van hun larven, en veel larven stierven. Omdat ozon grotendeels als directe oorzaak werd uitgesloten, vermoeden de auteurs dat de chemische communicatie tussen volwassenen en larven was verstoord.
Wat ik hieruit meeneem, is hoe kwetsbaar de onzichtbare kant van het koloniebestaan is. Het artikel, in 2026 gepubliceerd in PNAS, suggereert dat andere sociale insecten, zoals bijen, ook geraakt kunnen worden. Het is ook een stille herinnering aan iedereen die thuis een kolonie houdt om na te denken over de luchtkwaliteit rond het nest.
Bron: Phys.org (Max Planck Society)